logo
logo logo
logo logo
logo  
    Search

Diagnostiek

Van belang zijn een goede anamnese en heteroanamnese om risicofactoren, ernst en beloop  vast te stellen, evenals belasting van de omgeving. Hierbij worden onder andere de DSM-IV- R criteria uitgevraagd.

Daarnaast kan gevraagd worden naar hallucinaties of wanen  (depressieve  stoornis met psychotische kenmerken); hypomane of manische periodes  waarin de patiënt veel drukker is (was) dan anders (bipolaire depressie); angst of paniek;  alcohol- of drugsproblemen relevante lichamelijke comorbiditeit en aandoeningen als  hypothyreoïdie, dementie en de ziekte van Parkinson.

MMSE: bij alle ouderen met depressieve klachten dient een MMSE (Mini Mental State Exam) te worden afgenomen, af te nemen door arts, verpleegkundige of psycholoog.

Cornell Scale for Depression in dementia: te gebruiken bij patiënten met matige tot ernstige cognitieve stoornissen. Afkappunt: ±8 voor lichte depressie; 12 voor matig ernstige depressie.

EDIZ (Ervaren Druk door Informele Zorg): om de belasting van de mantelzorg snel in kaart te brengen.

Differentiële diagnostiek en overlap

  • Depressie in het kader van een bipolaire stoornis: hierbij zal uit de anamnese duidelijk worden dat de patiënt ook (hypo)mane episodes doormaakt of heeft doorgemaakt in het verleden.
  • Dementie: vanwege de differentiële diagnostiek met dementie dient standaard bij iedere oudere met verdenking op een depressie expliciet gevraagd te worden naar oriëntatie in tijd en plaats en inprenting. Dit is ook de reden dat een MMSE wordt aanbevolen. Bij twijfel over de diagnose dient neuropsychologisch onderzoek te worden gedaan.
  • Levensmoeheid zonder depressie: suïcidaliteit, levensmoeheid of een andere doodswens die niet lijkt voort te komen uit een psychiatrische stoornis moet een reden zijn voor verdere diagnostiek
  • Angststoornis: bij iedere oudere met verdenking op een depressie dient gevraagd te worden naar angstsymptomen en vice versa. Als er veel angstsymptomen aanwezig zijn bij een depressie is de prognose vaak minder goed.
  • Rouw: een depressie die is ontstaan door een verlieservaring leent zich doorgaans goed voor psychotherapie.
  • Aanpassingsstoornis: bijvoorbeeld: depressieve reactie na verhuizing naar verzorgingshuis (aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken).
  • Apathie: bij depressies bij ouderen dient gevraagd te worden of er sprake is van apathie; dit kan voorkomen bij gewone depressies en bij vasculaire depressie. Als er vooral sprake is van apathie en niet zozeer van een gedaalde stemming, is het de vraag of er wel een stemmingsstoornis speelt.


    Interventie 
Login