logo
logo logo
logo logo
logo  
    Search

Definitie

De definitie depressie wordt gehanteerd zoals in de DSM IV-R. Hierbij moet de patiënt voor een “major depressive disorder” (depressieve stoornis) minstens vijf van de onderstaande criteria hebben. De “minor depressive disorder” (beperkte depressie) vereist in totaal 2-4 van de genoemde symptomen.

DSM-IV-R: Criteria voor depressieve stoornis:

A. Minstens vijf van onderstaande symptomen zijn aanwezig geweest gedurende de laatste 2 weken en wijzen op een verandering ten opzichte van het eerdere functioneren.

Tenminste één van de symptomen is een depressieve stemming (1) of verlies van interesse of plezier (2).

  1. Depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag;
  2. Duidelijke vermindering van interesse of plezier in bijna alle activiteiten;
  3. Duidelijke gewichtsvermindering zonder dat dieet wordt gehouden, of gewichtstoename;
  4. Slapeloosheid of overmatige slaperigheid;
  5. Psychomotore agitatie of remming;
  6. Moeheid of verlies van energie, bijna elke dag;
  7. Gevoelens (die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid of overmatige schuldgevoelens, bijna elke dag;
  8. Verminderd vermogen tot nadenken, concentratie of besluiteloosheid, bijna elke dag;
  9. Terugkerende gedachten aan de dood, terugkerende suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen gemaakt zijn, of een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen. 

B. De patiënt heeft niet ook kenmerken van een manische episode. 

C. De symptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen. 

D. De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hypothyreoidie). 

De symptomen mogen niet toe te schrijven zijn aan een rouwproces; dat wil zeggen na het verlies van een dierbare moeten de symptomen langer dan twee maanden aanwezig zijn of zijn ze gekarakteriseerd door duidelijke functionele beperkingen, ziekelijke preoccupatie met gevoelens van waardeloosheid, suïcidegedachten, psychotische symptomen of psychomotore remming.
 
Er wordt een vaak verschil gemaakt tussen “late-onset-depressie” en "early-onset-depressie”. Met het eerste wordt bedoeld dat de stemmingsstoornis pas op latere leeftijd (meestal 50-60 jaar) voor het eerst optreedt. Hierbij lijkt er een minder grote rol te zijn voor genetische factoren dan bij jongvolwassenen.

Bij ouderen presenteert een depressie zich vaker met lichamelijke of “vage” klachten. Hierbij kan gedacht  worden aan wisselende klachten bij frequent spreekuurbezoek;  aanhoudende moeheid of klachten zonder lichamelijke oorzaak; chronische pijn; nervositeit, slapeloosheid of verzoek om slaap- of kalmerende middelen. waardoor het langer kan duren voordat de diagnose wordt gesteld (Gerber et al., 1992).


Achtergrond - Prevalentie 

Login